Wat is beelddenken?

Bij het denken aan het woord ‘BOOM’ zien de meeste mensen de letters B O O M verschijnen. Twee op de tien echter ziet geen letters maar het beeld van een echte boom; met takken, bladeren, en misschien zelfs een eekhoorn. Kinderen en volwassenen die dat zien, zijn beelddenkers. Daar is op zich niets mis mee. Maar alle beelddenkers moeten dat beeld vertalen naar een woord om verder te kunnen. Dat kost natuurlijk tijd. Dat is de reden dat beelddenkers tijdens de lessen meer tijd nodig hebben bij het maken van een dictee of welke andere taak dan ook. Diezelfde beelden kunnen ook de aandacht afleiden. Het is namelijk best mogelijk dat een beelddenker ook een nest ziet zitten en de moedereekhoorn die heen en weer raast. Het zal duidelijk zijn dat in dat soort situaties de vertraging bij het omzetten in woorden oploopt. Wel is het een andere manier van denken.

Een beelddenker is vaak niet zo goed in luisteren, maar ziet des te meer! De ogen gaan voor de oren. ​Hij heeft er ook een gevoel bij door de ervaring die hij met een boom heeft. De beelden zijn vaak driedimensionaal.

 

Beelddenkers verwerken de informatie met ál hun zintuigen tegelijk: zien, doen, ruiken, voelen en horen. Alle informatie komt daardoor gelijktijdig binnen. Alleen op deze manier zijn ze in staat een beeld te vormen bij de in taal aangeboden informatie. Dit moeten ze dan nog verwerken en onthouden. Dat kost veel tijd. Ongeveer vijf procent van de kinderen denkt in beelden. 

Beelddenkers hebben ook veel tijd nodig om alle informatie in hun hoofd te vertalen: verbaal binnenkomende informatie moet worden omgezet naar beelden en beelden moeten weer omgezet worden naar woorden. Instructie en uitleg gaan voor hen te snel om te vertalen en daardoor begrijpen zij deze niet en raken achter. De leesmethoden die op scholen gebruikt worden zijn gebaseerd op analyse/synthese (hakken en plakken), terwijl beelddenkers bij de verschillende aangeboden losse letters geen beeld hebben. Hele woorden hebben voor hen betekenis d.m.v. het beeld dat ze erbij hebben, maar letters op zich hebben voor hen geen betekenis.                                                                                                                                                                                   Onze taal kent ook beeldloze woorden. Bijvoorbeeld: die, dat, de, een, het, enz. Beelddenkers slaan bij het lezen deze woorden vaak over omdat ze er van in de war raken, ze kunnen er geen beeld bij oproepen. Of beelddenkers (symptomen van) dyslexie of dyscalculie ontwikkelen hangt o.a. af van hun aanleg voor taal en rekenen. 

Onderzoek heeft laten zien dat er in iedere klas wel één à twee beelddenkers zitten. Vaak zijn het kinderen die in groep 1 en 2 goed lijken mee te komen. Een stoel blijft een stoel. In je hoofd zie je het beeld. Je kunt het bijpassende woord jammer genoeg niet zo snel vinden, want bij het woord stoel, zie je de stoel voor je. En of die nu op zijn kop staat, of achterstevoren: het blijft een stoel. Maar als je nu - in groep 3 - letters en klanken gaat leren, dan krijg je een probleem. Want een b is andersom opeens een d. En op zijn kop zelfs een p! Maar voor jou blijft het een b. Veel beelddenkers ondervinden dan ook problemen bij het lezen, tekstbegrip, schrijven, rekenen.

Het automatiseren komt niet op gang en het werktempo ligt te laag. De beelddenker kijkt veel om zich heen. De leerkracht kan er de vinger niet opleggen;het is een slim, ondernemend kind, vol enthousiasme en creativiteit... waar ligt het probleem?

Het kind begrijpt zichzelf en zijn omgeving ook steeds minder. Faalangst en een slecht zelfbeeld liggen op de loer.

In groep 3 en verder